Hoe bepaal je de juiste plantafstand en dichtheid in je beplantingsplan?
Je bepaalt de juiste plantafstand door uit te gaan van de breedte die een plant volwassen bereikt, niet van de maat waarin hij nu in de pot staat. Tel de verwachte eindbreedte van twee buurplanten bij elkaar op en deel door twee: dat is de afstand tussen hun harten. Hoeveel planten je daarmee per vierkante meter nodig hebt, verschilt sterk per groeivorm en grondsoort.

Je bepaalt de juiste plantafstand door uit te gaan van de uiteindelijke breedte van een volwassen plant, niet van de maat waarin je hem nu in de pot ziet staan. Tel de verwachte breedte van twee naast elkaar geplande planten bij elkaar op en deel door twee: dat is de afstand tussen de harten van beide planten. Dit werkt voor vaste planten, struiken, heesters en bodembedekkers in vrijwel elke Nederlandse tuin, van een smalle border tot een groot balkon. Hoeveel planten je per vierkante meter nodig hebt, verschilt sterk per groeivorm en grondsoort.
Waarom de uiteindelijke grootte telt, niet de potmaat
Een vaste plant of struik die je in het tuincentrum koopt, staat meestal in een kleine pot van één tot drie liter en oogt dan compact. Na twee tot vijf jaar kan dezelfde plant uitgroeien tot een veelvoud van die maat, afhankelijk van de soort. Reken daarom altijd met de eindbreedte en eindhoogte, niet met de huidige omvang in de pot. Deze informatie vind je meestal op het plantenlabel, in een plantencatalogus van een kwekerij of in een plantprofiel op Tuinwiki. Staat er geen exacte maat bij, ga dan uit van een ruime bandbreedte en kies liever voor iets meer ruimte dan te weinig, want bijplanten is later altijd makkelijker dan planten verwijderen.
Plantafstand berekenen: tel de breedtes op en deel door twee
- 1
Zoek de eindbreedte op
Kijk op het etiket, in een plantencatalogus of in een plantprofiel hoe breed de plant volgroeid wordt. Vaste planten worden vaak 30 tot 60 cm breed, struiken 80 tot 150 cm en bodembedekkers 20 tot 40 cm, maar dit verschilt sterk per soort.
- 2
Tel de eindbreedtes van twee buurplanten op
Wil je een vaste plant met een eindbreedte van 40 cm naast een struik met een eindbreedte van 100 cm zetten, tel dan 40 en 100 bij elkaar op: dat is 140 cm.
- 3
Deel de uitkomst door twee
140 cm gedeeld door twee is 70 cm. Dat is de afstand die je aanhoudt tussen het hart van de vaste plant en het hart van de struik.
- 4
Reken dit om naar een vlak
Plant je een heel vlak met dezelfde soort, bijvoorbeeld bodembedekkers met een eindbreedte van 30 cm, dan tel je 30 en 30 bij elkaar op: dat is 60. Gedeeld door twee kom je uit op 30 cm afstand tussen de harten. In een driehoeksverband passen daar ongeveer 10 tot 12 planten per vierkante meter. Bij bodembedekkers met een eindbreedte van 50 cm werkt de som hetzelfde: 50 plus 50 is 100, gedeeld door twee is 50 cm afstand, wat uitkomt op ongeveer 4 tot 5 planten per vierkante meter.
Dichtheid, grondsoort en lagen in je beplantingsplan
De planten-per-vierkante-meter uit de vorige stap is een vuistregel en geen vaste wet: een laagblijvende bodembedekker vraagt om een heel andere dichtheid dan een hoge siergrassoort of een losse solitaire struik. Grondsoort speelt ook mee, omdat planten op voedselrijke grond zoals rivierklei vaak breder en hoger uitgroeien dan op arme, droge zandgrond. Reken op vochthoudende, voedzame grond met de bovenkant van de aangegeven eindbreedte en op arme zandgrond met de onderkant, en houd dus iets meer afstand aan op goede grond. Veel tuinontwerpers werken in lagen: lage planten tot ongeveer 30 cm vooraan, middenhoge planten van 30 tot 80 cm in het midden en hogere struiken en heesters vanaf 80 cm achteraan. Dat is een ontwerpkeuze voor diepte en zicht op elke laag vanaf het pad, geen verplichte regel, en werkt vooral in borders die je van één kant bekijkt.
Plant je te dicht op elkaar, dan concurreren planten al na een of twee groeiseizoenen om licht en lucht. Blad blijft na regen langer vochtig, waardoor schimmelziekten zoals meeldauw sneller optreden, en planten groeien eenzijdig naar het licht toe. Plant je te ver uit elkaar, dan blijft de grond tussen de planten lang kaal, kiemt onkruid daar sneller omdat er licht op de bodem valt, en duurt het jaren voor de border vol oogt. Heb je al geplant en merk je dat de afstand niet klopt, verplant de overtollige exemplaren dan het beste in het vroege voorjaar, rond maart, of in de herfst, rond oktober. De bodem is dan vochtig en de plant staat niet in volle groei, waardoor de wortels zich sneller herstellen.
Weet je al welke boom of struik je wilt planten?
Bekijk hoe je voorkomt dat een boom of struik op termijn te groot wordt voor je tuin.
Marijn ontwerpt al vijftien jaar tuinen door heel Nederland. Ze schrijft over aanleg, planning en de keuzes die je tuin voor jaren beter maken.
Tuinwiki groeit elke week
Onze redactie werkt doorlopend aan praktische antwoorden over planten, onderhoud, bodem en buitenleven. Nieuwe artikelen verschijnen zodra ze klaar zijn.
Bekijk alle onderwerpen